| Het ras Podenco Canario |
|
Rasgroep: 5. Spitsen en oertypes Geschiedenis van de Podenco Canario De Podencio Canario is te vinden op alle van de Canarische Eilanden en stamt uit een zeer oud type dat in de oudheid naar de eilanden is gebracht, door de geïsoleerde van de eilanden, is het nog steeds een voorbeeld van de oudste rassen. Men denkt dat dit ras is ontstaan in Egypte en Noord-Afrika, en naar de Canarische Eilanden is meegenomen door de allereerste menselijke kolonisten op de eilanden. Taalkundige en genetische analyses van de nakomelingen van de vroegst bekende menselijke bewoners van de Canarische Eilanden lijken erop te wijzen dat er een gemeenschappelijke oorsprong met de Berbers van Noord-Afrika bestaat, die mogelijk de honden daar hebben gehouden als voedselbron.
De Podenco Canario is erkend door La Real Sociedad Canina de España (RSCE, de Spaanse Kennel Club) als een inheems ras, en is internationaal erkend door de Federation Cynologique Internationale ras als nummer 329 in groep 5 Spitsen en oer types, deel 7 : Oer types - jachthonden, Spanje. In Noord-Amerika wordt het ras genoemd door de United Kennel Club als een jachthond in de Sighthound & Pariah Groep. Vanuit zijn vaderland wordt de Podenco Canario gepromoot als een zeldzaam ras, voor een ieder die op zoek is naar een unieke hond. Het is een zeer zelfstandige, onafhankelijke, eigenwijze en speelse hond. Buiten het land van oorsprong weinig of niet voorkomend. Het ras heeft zich uitstekend aangepast aan de Canarische eilanden en het klimaat aldaar: de hond is actief van de vroege morgen tot de late avond en is praktisch onvermoeibaar. Tegenwoordig komt het ras daar veelvuldig voor en is het een zeer homogeen type. Hij wordt vooral gebruikt voor de jacht op konijnen. Rasbeschrijving Bouw: slank, gespierd en toch stevig en stoer ogend. Ovale ribben. De omvang van de borst is 5-8 cm meer dan de schouderhoogte. De buik is opgetrokken, zonder zo windhondachtig te zijn als die van de Galgo. Duidelijk aangegeven flanken. Het skelet is goed ontwikkeld. De afwezigheid van een onderhuidse vetlaag laat de ribbenkast, de wervelkolom en de heupbeenderen goed uitkomen. Enorm ontwikkelde, droge spieren. De samentrekkingen van de spieren moeten door de huid heen zichtbaar zijn. De voorbenen zijn stevig, volkomen recht, loodrecht en parallel. Ze hebben een fijne maar stevige beenderstructuur. De hoek tussen schouderblad en opperarm bedraagt ongeveer 110 graden. Die tussen dijbeen en onderbeen ongeveer 120 graden en de sprong heeft een hoek van zo’n 130 graden. De draf moet lenig, gestrekt en zeer licht zijn. Hoofd: langwerpig, in de vorm van een afgeknotte kegel, ca. 20-22 cm lang, uitgesproken achterhoofdsknobbel, geringe stop. Vleeskleurige neusspiegel, open neusgaten. De belijning van het aangezichtsdeel van de schedel verloopt parallel. De schedel is veel langer dan breed; vlak, met een duidelijke achterhoofdsknobbel en een weinig duidelijke stop. De brede snuit steekt duidelijk naar voren en heeft de vorm van een puntige kegel. De neus is iets hoger dan de schedel. Fijne, gesloten lippen, in een kleur die overeenkomt met de neus. Karakter
|











